Naast ons standaard leveringsprogramma, hebben wij in de loop van de jaren diverse klantspecifieke producten ontwikkeld.
Veel klanten hebben ons het vertrouwen gegeven op zoek te gaan naar een geschikte oplossing voor hun situatie. Hieronder vindt u de verhalen achter enkele van zulke oplossingen.
Heeft u één van onze producten in uw werk- of woonomgeving en u wilt laten zien hoe dit heeft uitgepakt? Meldt u aan als referentie
en wij plaatsen uw link op onze website.

Omdat het gaat om een grote hoeveelheid te testen samples (elk uur worden er stalen genomen) zocht Campina naar maximale automatisering, waarbij de stalen via microtrays overgezet werden naar een automatische ATP-meter die de analyses van alle stalen automatisch uitvoert. Zo worden er 18.000 stalen per maand genomen. Wordt ergens één van de locaties als besmet gevonden, dan geeft het toestel dit precies aan. Men kan terug traceren naar de potentieel gecontamineerde stalen en die ondergaan dan nogmaals een grondige labanalyse. Bij bevestiging van de bacteriële contaminatie mag het lot niet worden verkocht. Voordeel van dit systeem is dat men op 48 uur de resultaten van al of niet bacteriële contaminatie heeft, wat dus de opslagtijd in het automatisch magazijn van het ganse lot beperkt. (En hoe sneller men kan uitleveren, hoe langer de houdbaarheid in de distributie en bij de eindklant). Bij deze ATP-tester werd vijf jaar geleden ook een geautomatiseerd systeem voor staalname geïnstalleerd dat met behulp van een naald melk uit de verpakking zuigt en zorgt voor het automatisch vullen van de microtrays. Als verpakking om de stalen uit productie op te halen, in de incubator te stockeren en op de staalnamerobot te gebruiken, werden toen draadmanden ingevoerd. Maar dit systeem bleek geen succes en in 2003 werd, amper twee jaar na de invoering van het systeem, besloten om op zoek te gaan naar een meer robuustere oplossing. Op basis van deze ervaring werd drie jaar geleden een tweede generatie staalnamerobot aangekocht op basis van een programmeerbare XYZ-manipulator. De priklocaties worden zo geprogrammeerd dat de robotnaald automatisch in de verpakking wordt gestoken. Met de naald wordt per fles een hoeveelheid melk opgezogen en per vier flessen in een locatie van een microtray gedeponeerd. Deze microtray wordt vervolgens manueel van de staalnamerobot genomen en overgezet in de ATP-tester.
De vraag die werd voorgelegd, bleek niet zo eenvoudig. Men had eisen naar ‘inzetbaarheid’ en ‘transporteerbaarheid’. De bakken moesten gemakkelijk reinigbaar zijn (hygiënenormen in een voedingsbedrijf ). Ze moesten draagbaar zijn, dus met handvat, maar ook met een gewicht dat - mét inhoud - nooit boven de 12kg komt. Want oewel het in de productie niet ver is van het samplingpunt naar de stapelplaats, kan men daar moeilijk met gewichten laten sleuren. En ook bij de robot moeten ze gemanipuleerd worden. De bakken moesten stapelbaar zijn en dan zo stabiel staan dat men ze gestapeld op pallet met een vorkheftruck kan verplaatsen. De kratten moesten vrij open zijn opdat ze in de klimaatkamer snel 37°C zouden bereiken, want men wou de incubatieperiode op 48 uur houden. Een te gesloten transportverpakking kon het opwarmen vertragen en de verblijftijd in de incubator verlengen. En... men wou bakken waarmee de automatische staalname mogelijk was (en de robot was reeds besteld toen Engels in oktober 2003 werd gecontacteerd). Hiervoor moeten de producten in de bak zelf - na alle manipulaties - een vaste locatie hebben. Deze gekende locatie per bak is voor de gerobotiseerde staalname belangrijk: bij de flessen moet de naald in de stop en niet in de fles worden gestoken of ze breekt af. Bij brikverpakkingen mag men om dezelfde reden niet in de dubbele rand bovenaan steken. (Om deze vaste locatie na transport te bewijzen werd gesteld dat de samples bij helling van 45° nog steeds in hun vaste locatie moesten staan). Maar ook belangrijk was het vulniveau in functie van de hoogte van de bak: de portaalrobotarm kon tot op de bovenzijde van de bak komen en dan moet de naald tot in de melk zitten, of er kan geen staalname gebeuren. Omdat men had gesteld dat - wegens de dure ATP-test – de samples per vier in één vakje van de microtray zouden worden gedaan, moest de verpakking steeds een veelvoud van vier producten kunnen bevatten. En waar de link van de samples naar roductieloten via bij de productie opgekleefde barcodes ging, wou men als niet onbelangrijke eis dat de bakken per product geïdentificeerd konden worden op de robot, zodat deze automatisch, zonder interventie van de operator, haar priklocatieprogramma zou kunnen aanpassen aan de aangeboden bak. En dan is er het economisch plaatje om de complexiteit te verhogen. Het gaat bij Campina over 13 verschillende verpakkingen. Er is de variatie in vormen: twee types briks (vierkante en rechthoekige), PET en PE-flessen en elke verpakkingsvorm is nogmaals in verschillende volumes beschikbaar: 1 l, 0,5 l en 200 ml. Men kan per type een andere bak aanmaken, want in productie krijgt elke sampleplaats ‘zijn bakken’. Maar voor de kostprijs per bak was het belangrijk dat er in totaal zo weinig mogelijk trayvarianten moesten worden geproduceerd, zodat met één vacuümvormmatrijs zo veel mogelijk modellen konden worden ‘bediend’, want de hoeveelheid per vormmatrijs bepaalt in hoge mate de kost van de ‘semi-maatbakken’. 